Wanneer schrijf je nou die t achter een d?

dt (3)

Wanneer je iets in de tegenwoordige tijd schrijft, komt er achter het werkwoord eigenlijk altijd een t. Alleen niet wanneer ik in tegenwoordige tijd schrijf. Dan hoor je immers ook geen t. Ook als ik nu naar de bakker loop, komt er geen t achter. Maar zodra mijn buurman naar de bakker loopt weer wel! Ik vind de afstand naar de bakker niet zo ver. (Het wordt nu lastiger omdat de d als een t klinkt.) Maar mijn buurman vindt het een heel eind!

Oké, de uitleg:

Van het woordje lopen is ‘loop’ de stam.
Wanneer je ‘ik’ als onderwerp hebt, dan hoeft er automatisch geen t achter: Ik loop.
Wanneer je ‘hij’, ‘zij’, ‘Jantje’ of bijvoorbeeld ‘de kat’ als onderwerp hebt, dan krijg je: Hij loopt. Zij loopt. Jantje loopt. De kat loopt.

Nu een stam die eindigt op een d.
Van het woordje vinden is ‘vind’ de stam.
Wanneer je ‘ik’ als onderwerp hebt, dan hoeft er automatisch geen t achter: Ik vind.
Wanneer je ‘hij’, ‘zij’, ‘Jantje’ of bijvoorbeeld ‘de kat’ als onderwerp hebt, dan krijg je: Hij vindt. Zij vindt. Jantje vindt. De kat vindt.

Een handig trucje om er achter te komen of je een t achter de d moet schrijven,  is om het werkwoord te veranderen in een woord dat niet op een d eindigt.
Bijvoorbeeld:
Wie beantwoordt de e-mail van de klant?
Wie “bekijkt” de e-mail van de klant?

Wanneer wordt die factuur nagekeken?
Wanneer “loopt” die factuur nagekeken?


Hulp nodig? E-mail me!

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

GRATIS een eerste check?